Pagina's

donderdag 22 november 2012

Ik schrijf 4

Soms denk ik dat ik denk.
Ik geloof dat ik kan denken dat ik denk.
Of dromen.

Ik denk dat ik het kan.
Fietsen door een zee van lichtjes.
Wind in mijn gezicht.
Regen
d
r
u
p
p
e
l
s

Gebeurd me vaker. Opeens gaat het regenen.
Ik zie de lichtjes weg vluchten voor de grote spetters die vallen.
Ze vliegen wilt heen en weer.
Ontwijken.

Ik kom aan bij het plein en stap van mij fiets af.
Ik ben nu toch al 
n
a
t
Meer regen.
Ik zie de maan, vervaagt door de zilvere regen.

Ik denk dat ik denk dat ik droom van woorden.
Woorden en letters die uit de lucht komen stromen.
Zonder dat ze het willen, zonder toestemming.
Het gebeurd gewoon.

Heb ik wel vaker. 
Dat denk ik tenminste.

Maar ik denk wel meer. Zoals woorden die, net als inkt in water, woorden vormen die je zelf moet ontdekken.
de inkt vervaagt en ook de lichtjes.
   v
          u
  u
        r
    v
             l
        i
 e
          g
    j
        e
              s
        s
            s
       s
   s
s

dinsdag 20 november 2012

Ik schrijf 3

Mensen kunnen veel zeggen.
Dat weet je wel, toch?
Mensen zeggen soms dingen die ze niet menen. Soms dingen die ze niet weten. Soms zeggen ze dingen die ze hebben gehoord.
Mensen zeggen soms dingen waar van ze denken dat ze die hebben gehoord.

Ik schrijf.
Woorden druppelen en stromen en komen samen en maken zo een grote rivier.
Of een zee.

Tom is veel stil.
Ik schrijf, hij is stil. Of hij lacht.
Dat doet hij ook veel.
Samen lachen, stil zijn en schrijven. Dat doe ik het liefste.
In het gras. Tegen de boom.

Er gebeuren soms gekke dingen in mijn hoofd. Omdat mensen dingen zeggen die ze niet bedoelen.
Tom vertelde me dat mensen ooit tegen hem zeiden dat zijn haar lelijk was.
Ik vond van niet.
Het was lang en bruin en warrig. Soms hangt het een beetje voor zijn ogen. Maar dat is toch niet erg?
Ze lachten, zegt Tom.
Maar niet het lachen dat hij zo goed kon.
Gemeen. Gemeen lachen.

Het doet pijn.

Pijn om anders te zijn. Anders te denken. Anders te schrijven.
Maar gelukkig heb ik Tom. Want hij lijkt een beetje op mij.

Mensen kunnen veel zeggen. Dat weet ik wel.
Ze zeggen dingen die ze niet bedoelen.
Ik neem het ze maar niet kwalijk.
Ik weet dat ze het niet zo bedoelen.

En Tom ook.

woensdag 14 november 2012

Ik schrijf 2


En ook al wilde ik niet dat de zon in mijn ogen scheen, het gebeurde toch.
Koud.
Warm door de zon.
De zon die giechelt als een baby.
De kleuren van het kleuren palet van God.

God kon ik niet vinden. Ik zocht hard. Soms zag ik een lichtpuntje.
Een puntje van zijn mantel misschien.
Of van zijn Eeuwige Glimlach?

In de herfst leek hij zo'n verloren schilder, zoals die in de goude eeuw.
De schilder kwijt, maar zijn werk duidelijk aanwezig.
Je zag hem bijna zijn kwast uitspoelen.
Een beetje geel en wat rood.
Tom belde.
Ik vertelde hem over Het Kleurenpalet.
Over de Schilder.
Tom was vrolijk. En een beetje mysterieus.
Daar hou ik van.

De dag werd per minuut anders ingekleurd.
Ik zag zo de kleuren veranderen.
Ik kijk weer naast me.
In het heldere groene gras zie ik nu een paar voeten.
'Hi Tom.'

De hele avond hebben we zo in het gras gelegen. Zij aan zij. Er werd niet veel gezegt.
Veel nagedacht. Ja!
Gedachten stromen. En druppelen. Net als woorden.
Zo dat er landen ontstaan die nog niet zijn ontdekt.
En we talen horen die nog nooit zijn gesproken.

dinsdag 13 november 2012

Ik schrijf 1

Ik schrijf.
Ik laat letters op het papier druppelen. 
Zoals inkt in water zo vormen mijn letters woorden. Woorden vormen zinnen en er ontstaan verhalen. 
Ik schrijf.
Mijn gevoel, net als wolkjes melk in heldere thee, kringelt rond. 
Ik schrijf over jou. Of meer over het beeld dat ik heb van jou in mijn hoofd. 
'ik' ben de hoofdpersoon. 
Ik lees veel boeken en inspiratie komt van de dingen om me heen. 
Ook een beetje van jou.

Het regent. Ik zit op de stoep.
Ik denk na over leven.
Dood.
Leven. 
Wat is dat dood? 'De afwezigheid van leven' zei mijn opa altijd. Hij is ook dood.

Mijn haren zijn nat geworden van al het water dat uit een onzichtbare gieter naar beneden valt. De aarde onder mij is nog natter dan mijn haar. 
Een mens loopt voorbij. De persoon in kwestie steekt het plein over. 
Ik kijk hem na.

'Hoe voelt de regen?'

De woorden glippen uit mijn mond voor dat ik er erg in heb. 
Ze hangen even in de lucht. Misschien weten ze niet zo goed waar ze heen moeten.
De persoon blijft staan. Hij draait zich om.
In een langzame maar vloeiende beweging.
Hij komt mijn kant op. 
Mijn woorden hebben hem gevonden.
Hem.
Omdat ik zie aan hoe het gekleed is, dat het een mannelijke vorm van 'de mens' moet zijn.
'Het voelt goed.' zegt 'hij', nadat hij op 3 meter afstand van mij is blijven staan.
Het regent pijpenstelen.

'Sorry.' Zegt hij plotseling. Zijn woorden weten goed de weg te vinden.
'De regen.' zegt hij ter verduidelijking.

Hij zet 3 stappen.
1.
2.
3.
Zonder aarzeling. 
Hij kijkt me aan.
'Tom.' Hij steekt zijn hand uit.
Ik kijk met een waas voor mijn ogen, dwars door de regen, naar zijn hand.
Mijn gedachten spinnen. Ik pak zijn hand en kijk hem aan.
In de zelfde vloeiende beweging.
Maar dan vluchtig.
'Sam.' Zeg ik, terwijl ik de regen laat vallen.
Ik kijk naar de regen.
Gesmolten zilver lijkt naar beneden te komen.
Onze handen vallen terug naar waar ze horen; naast ons lichaam.
'Hoe voelt de regen?'
Hij kijkt me aan. Met een, door de regen, wazige glimlach.
'Het voelt goed.'